|
‘Een nieuwe
stad is dan een waarlijke gemeenschap als zij haar doden bij
zich houdt’. Dit zei de latere commissaris van de koningin in
Flevoland, Han Lammers in de jaren zeventig over de inrichting
van Almere. De andere woonkernen in de jongste provincie van
Nederland kregen eveneens zorgvuldig geplande begraafplaatsen.
|
Geen enkel
ander deel van Nederland is in zo’n korte tijd tot stand gekomen
en bij geen enkel ander deel van het land is er niet alleen
nagedacht over de vraag hoe de polders ingericht zouden worden,
maar ook over de vraag hoe de samenleving er uit zou moeten gaan
zien. Het kan niet naders of de oorspronkelijke gedachten over
de inrichting komen, ruim zestig jaar na de oplevering van de
eerste polder, tot uiting in de begraafplaatsen en hun ligging,
beplanting, inrichting, monumenten, en in de achtergrond van hen
die hier zijn begraven.
In 1942 viel de Noordoostpolder droog, Oostelijk en Zuidelijk
Flevoland volgden in 1957 en 1968. Bij de inrichting van de
Noordoostpolder had de overheid grote bemoeienis. De
plannenmakers kozen voor ‘gemengde’ dorpen met katholieke,
Nederlands-hervormde en gereformeerde inwoners. Voor elke
geloofsgemeenschap kwamen er kerken en scholen. Maar de nieuwe
dorpen kregen één begraafplaats om de gemeenschapszin te
onderstrepen. Wel kwam er een deel voor protestanten en
niet-gelovigen en een gewijd deel voor katholieken. Bij de
inrichting van de Flevolanden werd de idee om de
bevolkingssamenstelling te plannen opgegeven. De beide polders
moesten fungeren als overloopgebieden voor de steden van het
‘oude’ land. Deze stedelijke bevolking had een heel andere
samenstelling dan die van de Noordoostpolder in de jaren na de
Tweede Wereldoorlog.
Dit deeltje uit de reeks Funeraire Cultuur stelt de maakbare
samenleving van Flevoland centraal. Is het mislukken van dat
ideaal terug te zien in de polderbegraafplaatsen? De oude
rustplaatsen op de voormalige eilanden Urk en Schokland doen
dienst als niet gepland spiegelbeeld. |