-
Boekbesprekingen
De begraafplaatsen van
Amsterdam
Het heeft even geduurd, maar nu is het er dan: hét boek over
begraafplaatsen in Amsterdam. En het mag er zijn: het boek ziet er
deftig uit, met een kloeke omslag en met schitterende kleurenfoto’s
over een hele pagina. Het weegt dan ook bijna een kilo.
Alle nog bestaande begraafplaatsen staan er in, niet alleen in
Amsterdam zelf, maar ook van alle begraafplaatsen die vanuit Amsterdam
zijn opgericht. In totaal worden 30 begraafplaatsen bezocht.
Meer dan een gids is het een systematische inventarisatie waarin de
geschiedenis van de oprichting, van de aanleg en van de
wederwaardigheden tot op heden wordt beschreven met daarbij per
begraafplaats een selectie van aldaar begraven dan wel bijgezette
personen.
Het is een kloek boek merkte ik hierboven al op. En opgemerkt mag
worden dat hier vorm en inhoud echt bij elkaar horen. Er moet namelijk
een grote hoeveelheid werk verzet zijn om allerlei detailinformatie
over de begraafplaatsen en personen boven tafel te krijgen. Details
zoals geboorte- en sterftedatum van overledenen liggen nog voor de
hand, maar dat je ook kunt volgen wanneer en met hoeveel vierkante
meter de begraafplaats werd uitgebreid en of het hek al dan niet werd
geteerd is toch echt bijzonder.
Het boek begint met een vrij korte inleiding van 15 bladzijden. Maar
ook binnen de specifieke beschrijvingen komen we nog achtergronden
tegen die samen met de echte inleiding een overzicht vormen van het
begraven in en om de stad. De inleiding loopt nu dus door het hele
boek. Dat heeft zijn nadelen: je bent verplicht het hele boek te lezen
om die algemene kennis te vergaren, het voordeel is natuurlijk dat ook
de afzonderlijke begraafplaatsen in een context geplaatst worden en
dat je langs alle foto’s van Diepraam komt waarmee de lokale
beschrijving steeds begint.
Binnen dit vaste stramien kun je de voorliefde van de schrijvers
aflezen voor de romantisch aangelegde tuin. Voor een deel komt dat
omdat ze veel aandacht geven aan het groen dat dan ook in stemmingsvol
proza wordt aangeduid, zoals hier bij de Sint-Pancratiusparochie in
Osdorp: “de donkere den is verknocht aan het verfijnde beeldhouwwerk;
samen steken ze schilderachtig af tegen het lager liggende
weidelandschap.”
Die romantiek komt nog sterker naar voren in terloopse opmerkingen die
getuigen van een zekere afkeer van de (moderne) stad, zoals bij
Holysloot:”De Amsterdamse Rembrandttoren is gelukkig te ver weg.”
Misschien ligt in die voorkeur voor het groene, liefelijke landschap
ook de achtergrond voor de grote aandacht die de elf kleine
dorpsbegraafplaatsen in Noord en West in het boek krijgen, terwijl de
grote Nieuwe Ooster en Zorgvlied relatief minder aandacht krijgen.Veel
aandacht is er ook voor de joodse begraafplaatsen die bijna allemaal
buiten de stad liggen. En om de inhoudsbeschrijving te voltooien: het
boek heeft een uitgebreid namenregister waardoor het zijn karakter van
naslagwerk versterkt.
Als recensent ben je verplicht ook fouten te vinden. Gelukkig heb ik
er, met moeite, een paar gevonden: de Cleveringaleerstoel (p. 184) is
natuurlijk niet aan de UvA gevestigd maar aan de Rijksuniversiteit
Leiden waar professor Rudolph Cleveringa in november 1940 zijn
protestrede uitsprak tegen het ontslag van de joodse medewerkers. En
de kaart aan de binnenkant van de omslag is wat slordig: nummer 15
ligt in Zaandam en is dus niet Buiksloot en nummer 22 komt twee keer
voor.
En dan nog iets: op tal van plaatsen worden de begraafplaatsen in
superlatieven beschreven: de grootste, de mooiste, de beroemdste
begraafplaats. Zo kennen we de hoofdstedeling weer: het is wel waar,
maar mag het wat minder?
Henk de Feijter
Margreet de Roever en Jenny Bierenbroodspot,
De Begraafplaatsen van Amsterdam
Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2004
ISBN 9059370147, € 29,50, 235 pagina’s. |
Zes weken in de schemer
Deze publicatie behandelt de
geschiedenis van het begraven in de zeven dorpen van de gemeente
Graafstroom in de Alblasserwaard. Van Vliet begint met enkele
prehistorische graven die zijn gevonden op donken bij
Hardinxveld-Giessendam en Molenaarsgraaf. De oudste vondst is het
7500 jaar oude graf van ‘Trijntje’.
Minder oud zijn de zerken in de kerken. Na het verbod op begraven in
kerken dat begin januari 1829 van kracht werd, kwam er een eind aan.
Nu liggen er nog maar weinig zerken in de kerken van Oud-Alblas,
Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf, Brandwijk, Wijngaarden, Ottoland en
Goudriaan.
Aan de wettelijke verplichting om een begraafplaats buiten de
bebouwde kom aan te leggen, hoefden de Binnenwaard gemeentes in 1829
niet te voldoen. Ze hadden minder dan duizend inwoners. Wel droegen
de hervormde kerkvoogdijen het beheer en de exploitatie van de oude
kerkhoven rond de dorpskerken over aan de gemeentebesturen. Het oude
kerkhof van Bleskensgraaf is niet meer als zodanig herkenbaar. De
kerkhoven van Goudriaan, Molenaarsgraaf en Ottoland zijn nog volop
in gebruik, die van Brandwijk en Wijngaarden in zeer beperkte mate,
die van de overige dorpen niet meer.
De auteur voert zijn lezers ook langs de nieuw aangelegde
begraafplaatsen buiten de bebouwde kom. De oudste is die in
Oud-Alblas (1871), gevolgd door Bleskensgraaf (1931), Brandwijk
(1960) en Wijngaarden (1984).
Wat de vormgeving van de graftekens betreft constateert de auteur
dat de autochtone bevolking een traditionele grafbedekking
prefereert, de moderne stenen staan meestal op graven van mensen die
van buiten de dorpen komen. Crematie komt in Graafstroom nauwelijks
voor en urnenmuren of -nissen zijn er niet. Wel is sporadisch een
urn in een graf bijgezet.
De laatste bladzijden geven een overzicht van oude rouwgebruiken,
waartoe ook de gewoonte behoorde dat de nabestaanden in het
sterfhuis zes weken in de schemer leefden.
Het boekje, dat qua formaat en uitvoering veel lijkt op de Terebinth
publicaties in de reeks funeraire cultuur, vormt een nuttige
bijdrage aan de lokale geschiedschrijving van Graafstroom.
Rita Hulsman
|
J.
van Vliet
Begraven in Graafstroom door de eeuwen heen.
(Molenaarsgraaf: Stichting Publicaties Binnenwaard, 2004, ISBN 907213408, 72
blz., € 10,95 excl. verzendkosten.
Besteladres: mw. M.S.M. Drinkwaard, Zuidzijde 167, 2977 AM Goudriaan of via
e-mail: binnenwaard@hetnet.nl
|
Tuinbonen bevatten de ziel
Welke beplanting zet je op het graf
van een overleden dierbare? De keus is meestal volstrekt
willekeurig en zonder rekening te houden met zaken als grondsoort,
zon- of schaduwplek, vochtigheid of droogte. Wie meer beslagen ten
ijs wil komen, vindt in dit boek een schat aan informatie.
Het eerste gedeelte geeft een
globaal overzicht van de geschiedenis van begraafplaatsen, de
stijlen en soorten. Onder het kopje nieuwe ontwikkelingen is
aandacht voor een Drents dodenlandschap van 200 hectare in
ontwikkeling, waar in de natuur nieuwe grafheuvels kunnen ontstaan.
Het plan is ontwikkeld door de werkgroep Eeuwigheid, opgericht door
het Drentse Landschap. Het gedeelte over islamitisch begraven is
inmiddels achterhaald: in Zaltbommel is de eerste begraafplaats
geopend die geheel voor islamieten is bestemd.
Het grootste gedeelte van is het
boek gereserveerd voor beplanting: eenjarigen, tweejarigen,
perkgoed, bolgewassen, vaste planten, heesters, coniferen en bomen.
De opsomming van allerlei soorten wordt zeer verlevendigd door
toevoeging van ideeën van bekende kwekers, gedichten, foto’s en
anekdotes over planten en hun betekenis.
Over symboliek kunnen zelfs
doorgewinterde leden van de Terebinth nog wat bijleren, bijvoorbeeld
dat basilicum op Kreta het symbool is van rouw en dat een
bolchrysant in Frankrijk het eeuwige leven symboliseert. Duitsers
associëren een goudsbloem met verdriet en bij de Grieken is de
hyacint een dodenbloem. En tuinbonen bevatten volgens de oude
Grieken, Romeinen en Egyptenaren de ziel. Ze aten die tuinbonen dan
ook niet.
Is een graf eenmaal beplant, dan
moet het onderhouden worden, door de nabestaanden of door de
tuinman. Leon van der Heijden, de tuinman van Huis te Vraag in
Amsterdam, zegt erover: ‘Het belang van de tuinman - waarom er dus
altijd een tuinman moet zijn - is niet gelegen in wat hij allemaal
doet, maar wat hij laat zijn. Het onderhoud dringt zich niet op. Het
mag de illusie alsof de tuin het werk van de natuur zelf is, niet
verstoren. Daarom doet de tuinman zijn werk op zo’n manier dat men
het niet ziet...’|
Tuinontwerper Christ Ghyselen stelt
dat je op een graf twee soorten planten nodig hebt: iets wat de
bodem bedekt en iets wat naar de hemel rijst. Dineke Logtenberg van
kwekerij De Boschhoeve wil beslist sneeuwklokjes op haar graf, in
combinatie met de wintergroene pinksterbloem. En Wim Vlaanderen,
oud-beheerder van Kranenburg, vindt een graf met fijn haarmos en een
klein eikenvarentje het mooist.
Vanuit zijn jarenlange
deskundigheid bespreekt Vlaanderen hierna het onderdeel
beplantingsadviezen. Veel van de kwekers
die de auteur aan het woord laat over hun ideale grafbeplanting,
noemen plantencultivars die zonder meer prachtig bloeien, maar deze
doorgekweekte planten hebben een groot nadeel: ze zijn zwak en
zullen na enkele jaren verdwijnen. Van een ‘eeuwige tuin’ zal dus
geen sprake zijn. Ook moet men zich realiseren dat het om
grafbeplanting gaat en niet om een bloemenperkje. Als alle
voorbeeldtuinen naast elkaar gesitueerd zouden worden, ontstaat een
bont geheel, hetgeen de rust op een begraafplaats niet ten goede
komt. Hanneke merkt terecht op, dat nabestaanden met een kruiwagen
vol planten uit het tuincentrum de begraafplaats opkomen om pa’s
graf een opknapbeurt te geven.
De auteur noemt in
dit boek enkele coniferen die volgens mij ongeschikt zijn voor
grafbeplanting, zoals Chamaecyparis obtusa Nana en Pygmea, dit zijn
geen dwergconiferen maar langzaam groeiende coniferen die na een
jaar of tien twee meter hoog zijn geworden. Ook rozen, Prunus
triloba en Salix integra ‘Haro-nishiki’ zijn niet geschikt voor een
graf, het zijn heesters die jaarlijks verzorging (snoeien) nodig
hebben, en de meeste nabestaanden missen de kennis en ervaring
om dit op de juiste manier en tijd te doen.
Mijn 37-jarige
ervaring als beheerder van begraafplaatsen heeft mij geleerd, hoe
hard dit ook mag klinken, dat grafbezoek gemiddeld na zes jaar is
afgelopen. En ik ben bang dat daarna de meeste grafbeplanting die in
De Eeuwige Tuin genoemd wordt ter ziele gaat en het graf een
kale plek wordt. Daarom had ik in dit boek graag vermeld gezien, dat
de grafbeplanting het beste van gemeentewege kan worden
aangebracht en dat de nabestaanden daarbij in overleg hun inbreng
mogen geven. Maak een rustige basisbeplanting van sterke planten
zoals Geranium macrorrhizum, Pachysandra, klimop, maagdenpalm of
fijn haarmos met sterke bollen zoals sneeuwklokje en winteraconiet.
Een gedeelte van het graf kan men dan open laten voor
beplanting die nabestaanden kunnen aanbrengen.
Al met al een goed
boek met mooie foto’s, maar een samenvatting van de adviezen aan het
eind was handig geweest.
Rita Hulsman en Wim Vlaanderen
Hanneke van Dijk,
De eeuwige tuin.
Warnsveld,
2004, ISBN 905897233X, 144 blz.,
€ 19,95 |
Hiernamaalsreizen
De meeste teksten
die in Religie en de dood zijn opgenomen, gaan terug op
lezingen die in het voorjaar van 2003 in Antwerpen werden gehouden
in het kader van het project Religie heen
Ûterug,
dat georganiseerd werd door de Katholieke Universiteit Leuven, de
Universiteit Antwerpen en de Cera Foundation.
Hoofdthema’s
waren de houding van de westerse mens tegenover de dood en de rol
van religie rond het sterven. In vijf hoofdstukken laten evenzoveel
auteurs iets van die ontwikkeling zien. Ze doen dat aan de hand van
een reis door de tijd. In het eerste hoofdstuk komen de ziel,
reïncarnatie en het hiernamaals in het oude Griekenland aan de orde.
Een ingewikkelde materie, die er voor de leek niet veel duidelijker
op wordt. Dat komt mede door de tussengevoegde gedeelten over de
situatie in latere perioden.
De bijdrage over de Middeleeuwen is
helderder. Toen was de mens intensief bezig met het leven na de
dood. Niet verwonderlijk in een tijd waarin de epidemieën elkaar
snel opvolgden. Talloos waren de verbeeldingen van het hiernamaals,
vaak in de vorm van visioenen zoals bij Jacomijne, die ten dode was
opgeschreven. Joelende duivels eisten haar ziel op, omdat ze geen
vlekkeloos leven had geleid. Maar ze kreeg een herkansing. Op de
terugweg naar de aarde kwam Jacomijne langs hel en vagevuur waar ze
oude bekenden ontmoette die de vreselijkste martelingen ondergingen.
Deze en andere visoenen van hiernamaalsreizigers gaven vooral een
kijkje in hel en vagevuur. Die ervaringen kon de kerk goed gebruiken
om mensen op het rechte pad te houden.
De 17de eeuw kenmerkte
zich door een onbevangen directheid in de omgang met en het spreken
over de dood als deur naar een eeuwig, zalig leven. Geschriften uit
die tijd gaan uitvoerig in op de laatste
dagen van stervenden. Zij worden door predikanten, familieleden,
vrienden en buren bijna uitbundig begeleid tot aan de drempel van de
dood.
In de daaropvolgende eeuw begonnen
filosofen en andere verlichte geesten twijfel te zaaien aan de
christelijke opvatting van een voortbestaan in het hiernamaals,
waarna de deklerikalisering van de dood intrad, zoals dat hier zo
mooi genoemd wordt. Dat de onsterfelijkheid van de individuele mens
gaandeweg bij velen op losse schroeven kwam te staan, werd mede
veroorzaakt door kennismaking met andere religies als hindoeïsme en
boeddhisme. Reisde de individuele ziel na de dood naar de hemel, of
ging hij als een regendruppel naamloos op in de grote zee van het
zijn?
Het christelijk geloof met zijn
belofte van de hemel verdween bij het sterven naar de achtergrond.
De opvatting won terrein dat er na de dood helemaal niets meer was.
Maar de talloze imposante monumenten die in de 19de eeuw
op de Europese begraafplaatsen verrezen, laten zien dat de gedachte
om tot niets gereduceerd te worden voor velen onverdraaglijk was. In
een grafmonument wilde men toch graag tot in eeuwigheid voortleven.
In het derde kwart van de 20ste
eeuw bereikte het taboe op de dood zijn hoogtepunt. Sterven gebeurde
meestal in een ziekenhuis, thuis opbaren was er bijna niet meer bij,
de uitvaart had plaats in besloten kring en de graftekens waren
sober en uniform.
Tegenwoordig is de dood weer
bespreekbaar en enigszins teruggebracht in de samenleving, maar het
christelijke hiernamaals heeft zijn aantrekkingskracht verloren. Er
is nauwelijks meer aandacht voor het zielenheil van de overledene,
des te meer voor het verdriet van de nabestaanden. Dat laatste is
goed te zien aan de inscripties op grafstenen.
Door de enorme hoeveelheid
informatie vervat in korte bijdragen, laat dit boek zich niet altijd
even vlot lezen. Maar wie zich verder in het onderwerp wil
verdiepen, krijgt meer dan voldoende stof aangereikt.
Rita Hulsman
Vanheeswijck, G. en Van Herck, W. (red.),
Religie en de dood.
Kampen/Kapellen: Uitgeverij Klement/Uitgeverij Pelckmans, 2004, ISBN 9077070524, 158 blz.,
€ 15,95 |
‘Hier rust o
wandelaar…’
De Stichting
Groninger Kerken beijvert zich voor de instandhouding van, zoals de
naam al aangeeft, oude kerken in het Groningse landschap. Veel
kerken werden door de stichting gerestaureerd en konden hierdoor hun
oorspronkelijke functie behouden of hebben een nieuwe bestemming
gekregen. Lange tijd waren vele oude kerkhoven letterlijk ten dode
opgeschreven. Met het verdwijnen van de gebruiksfunctie verdween ook
het onderhoud aan deze vaak eeuwenoude plekken. Terreinen en
bijbehorende groenelementen werden verwaarloosd, grafmonumenten
vielen om en verdwenen soms onder het maaiveld
-
In het kader van
het project ‘Kerken in het groen’ werd planmatig gewerkt aan het
onderhoud en herstel van vijftig cultuurhistorisch en
landschappelijk zeer waardevolle terreinen. De Stichting heeft
inmiddels de zorg over twintig kerkhoven.
In de serie
Groninger Kerkhoven zijn twee deeltjes verschenen; in mei 2006 het
derde deeltje met als thema lijkenhuisjes. `Die onder deze grafzerk
ligt’ is een fraai vormgegeven boekje over de grafstenen in en om de
kerk van Zuurdijk. De geschiedenis van dit Groninger dorp gaat
terug tot 1287. Hoewel de dijk nog nauwelijks in de dorpskern
zichtbaar is, ontstond ‘Sutherdieke’ op de oudste (zuidelijke) dijk
die het vroegere eiland Marne beschermde. De 13de-eeuwse Hervormde
kerk en korenmolen ‘De Zwaluw’ uit 1858 zijn prominent aanwezig in
het langgerekte dorp. De Stichting Groninger Kerken kreeg de kerk in
1974 in haar bezit. De vloer van het sobere kerkje is geplaveid met
fraaie grafstenen. Ook op het kleine kerkhof zijn enkele
familiegraven terug te vinden. De rijk versierde zerken van de
familie Eijes-Roelfs, een vooraanstaand en rijk boerengeslacht,
laten zich lezen als een familiekroniek. De grafschriften geven in
fraaie bewoordingen melding van de voor- en tegenspoed (overleden `an
de gevolgen van de kinder-siekte) van de familieleden. Op de
middenpagina is een overzichtelijke stamboom opgenomen.
Ook ‘Hier rust o
wandelaar’, het tweede deeltje in de serie Groninger kerkhoven, is
een goed verzorgde uitgave met sfeervolle foto’s en informatieve
kaderteksten. In het Groninger Land zijn opmerkelijk veel oude
graftekens bewaard gebleven, vaak met bijzondere symboliek en
opschriften. Dit deeltje beschrijft enkele graftekens van mensen die
om welke reden dan ook bekend werden, een bijzonder leven leidden,
een tragisch levenseinde vonden of een opmerkelijk grafschrift
kregen. De titel van het boekje is afkomstig van de grafsteen van
Jantje Hazewinkel die op 19 januari 1856 overleed op het schip
Tasmania waarop haar man kapitein was. Ze kreeg geen zeemansgraf
maar werd veel later op het kerkhof van Veendam begraven.. ‘Hier
rust o wandelaar, mijn teer beminde vrouw; Zij die mij heeft verzeld,
met liefde deugd en trouw […]’. Beide boekjes nodigen uit voor
een bezoek aan de kerken en kerkhoven in het Groninger Land. De
stichting geeft naast deze serie nog tal van goed gedocumenteerde
kerkbrochures en routes, zoals ‘Groninger kerken op de fiets’, uit.
Bartho
Hendriksen
|
IJnte Botke,
Die
onder dezen grafzerk ligt. Graf- en gedenkstenen in en om de
kerk van Zuurdijk 1773-1885.
ISBN 9073453186, € 6
Reint Wobbes,
Hier rust o wandelaar …Opmerkelijke grafschriften in Groningerland.
ISBN 9073453216. € 6.
Te bestellen bij:
Stichting Oude Groninger Kerken, Aweg 5c, 9718 CS Groningen, tel.
050-3123569, internet
www.groningerkerken.nl
|
homepage Terebinth
|