Terebinth Logo
De Terebinth
Vereniging voor Funeraire Cultuur  


Boekbesprekingen

In dit nummer

Utrechts aardse paradijstuin
Een dierbaar plekske grond

Deze boekbesprekingen zijn eerder verschenen in
Terebinth, XXI, maart 2007.

 

Utrechts aardse paradijstuin

Jarenlang fietste ik in Utrecht door de Gansstraat langs het toegangshek van begraafplaats Soestbergen op weg naar de Uithof. En nooit stapte ik af om even rond te kijken. En nu reis ik al jarenlang met de trein vanuit mijn woonplaats naar Utrecht en passeer ik de achterzijde van de begraafplaats. In de winter heb je vrij zicht op de paden en zerken, in de zomer gaan deze schuil achter het gebladerte. Altijd moet ik even kijken hoe de begraafplaats er voorstaat, maar nooit nam ik de moeite om naar de Gansstraat te wandelen en het hek binnen te lopen. Tot deze zomer. Ik moest voor een reisgids over Utrecht een kort stukje schrijven over Soestbergen. Eindelijk een reden om de ‘Utrechtse aardse paradijstuin’ te bezoeken. Met het deeltje Utrecht uit de reeks Funeraire Cultuur liep ik over het Nederlandse Père Lachaise, echter, zoals Wim Meulenkamp terecht opmerkt, ‘zonder échte beroemdheden’. De schrijver Nicolaas Beets en de KNMI-oprichter Buys Ballot voor het gemak maar vergetende. De prachtig aangelegde begraafplaats met zijn bomenpracht, de verweerde grafstenen en zuilen en de unieke rotonde van Zocher maakten diepe indruk tijdens mijn rondwandeling.
Het recent verschenen boek Soestbergen van Edwin Maes zou mijn honger naar meer verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden over de begraafplaats kunnen stillen. Maes beschrijft op een onderhoudende manier de geschiedenis van begraven in Utrecht tot het definitieve verbod op begraven in de kerken. Soestbergen werd als eerste buitenbegraafplaats op 17 mei 1830, anderhalf jaar later dan gepland, geopend. Jan David Zocher jr. tekende voor het ontwerp van deze ‘aardse paradijstuin’, zoals hij zelf de begraafplaats omschreef. Centraal op Soestbergen kwam een cirkelvormige trapsgewijs oplopende grafheuvel te liggen. De 3,5 meter hoge heuvel bestaat uit twee ringmuren met 170 diepe, gemetselde grafruimten. De graven werden door het stadsbestuur ter beschikking gesteld aan de Utrechtse elite als compensatie voor het verlies van de familiegraven in de kerken. Voor belangstellenden: een kelder voor twee personen kost vandaag de dag negen duizend euro. In het boek staat ook een wandeling langs de bijzondere graven van deze monumentale begraafplaats met uitleg over de symboliek op het graf en een korte levensloop van de overledene. De sfeervolle zwart-wit foto’s geven het boek een extra dimensie.
Na het lezen van het boek is de honger naar informatie over Soestbergen nog steeds niet gestild. De beschrijving van de `rotonde van Zocher’, toch de trots van Soestbergen, is wel erg summier. Ook een beschrijving van de restauratiewerkzaamheden, die in 1998 werden voltooid, ontbreekt. En dat geldt ook voor het ecologisch beheer van de begraafplaats dat wel erg gemakkelijk in een alinea wordt afgedaan. Misschien dat de Terebinthexcursie in april uitkomst biedt.

Bartho Hendriksen
 

E. Maes, Soestbergen. Utrechts aardse paradijstuin. De eerste algemene begraafplaats te Utrecht (Utrecht: Uitgeverij SPOU, 2006, ISBN 13 978-90-5479-088-4, 207 p., € 15)



Een dierbaar plekske grond

In deze publicatie wordt de eeuwenlange geschiedenis van het begraven in Rhenen gecombineerd met die van de 75-jarige plaatselijke begrafenisonderneming Smit. Verschillende telgen van de familie Smit waren timmerman en leverden onder meer regelmatig lijkkisten. Zo ook Bep, die in 1931 echter het roer omgooide en met een compagnon de Nieuwe Rhenensche Begrafenis Onderneming oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog zette Bep de onderneming alleen voort. Momenteel staat de derde generatie aan het roer. De werkzaamheden van een begrafenisonderneming, van afleggen tot bestellen van de grafsteen, zijn uitvoerig beschreven en voorzien van veel anekdotes.
Na een hoofdstuk over de Oudheid springen de auteurs over naar het begraven in en rond de Cunerakerk. Het bestuur van Rhenen stelde in 1603 een stadsordonnantie op, waarin onder meer paapse bijgelovigheden en overdaad werden verboden. Maar in 1654 constateerde de gemeente van tijd tot tijd ‘grote disordre ende ongeregeltheden met suijpen ende swelgen’ en verbood het schenken van wijn en bier zowel voor als na de begrafenis op straffe van een geldboete.
In 1829 werd een algemene begraafplaats aan de Herenstraat in gebruik genomen. De burgerlijke gemeente kocht de grond en richtte de dodenakker in. De kerk zorgde voor de administratie en het onderhoud, en kreeg de daarbij behorende inkomsten. Maar op last van de minister van Binnenlandse Zaken nam de gemeente in 1851 het beheer op zich. De officiële buitengebruikstelling in 1937 had de nodige voeten in de aarde, want een deel van de gemeenteraad wilde niet dat de rustplaats verstoord zou worden: ‘Dit voor velen dierbare plekske grond mag niet voor bouwterrein worden vernietigd’. In de jaren zestig werd toch een deel van de grond verkocht als bouwlocatie. Nu zijn er op het resterende deel van de voormalige begraafplaats, dat als park is ingericht, nog maar tien graven over.
Aan de Achterbergsestraatweg is in 1896 een nieuwe algemene begraafplaats geopend. Rond 1977 raakte ook deze begraafplaats vol, wat leidde tot de aanleg van een derde algemene begraafplaats: de Larikshof, die op 1 mei 1980 in gebruik genomen werd.
Eén van de weinige grafkelders op eigen grond lag op de Plantage Willem III, sinds 1930 bezit van H.J. Kruidenier Hzn., afkomstig uit Charlois bij Rotterdam. Kort na de aankoop liet hij op dit terrein de grafkelder bouwen. Deze is in 1966 afgebroken, nadat de stoffelijke resten in Leersum waren herbegraven. In de loop der eeuwen is er veel funeraire cultuur verdwenen: rouwborden en zerken in de kerk, grafstenen op de begraafplaatsen, een grafkelder op eigen grond, oude tradities en rituelen.
Dankzij twee jaar onderzoek en gesprekken met talloze Rhenenaren zijn de auteurs erin geslaagd, heel veel informatie over en rond de dood in Rhenen, Elst en Achterberg te achterhalen en op schrift te zetten. De informatie varieert van Oudheid tot heden, van materiële tot immateriële zaken, van begrafenisondernemers tot beheerders, van oude tot nieuwe rituelen. Behalve voor de gemeentelijke begraafplaatsen is er aandacht voor de uit 1891 daterende joodse begraafplaats in Rhenen, dierenbegraafplaats en -crematorium Grebbehof en de militaire begraafplaats op de Grebbeberg. De laatstgenoemde telde aanvankelijk 436 graven, maar door herbegravingen zijn het er nu 675. Ook ligt er één burger: Willem M. Kors, burgerchauffeur van een bus met militairen die op een mijn reed.
Om het boek helemaal compleet te maken passeren enkele recente ontwikkelingen in de funeraire cultuur de revue en is een register opgenomen.

Rita Hulsman
 

H. Blankestijn; H. Dekker en B. van Laar, Begraven in Rhenen. De geschiedenis van de laatste eer in Rhenen, Elst en Achterberg (Rhenen: Uitgave in eigen beheer, 2006, 236 blz., € 24,95, te bestellen door overmaking van € 27,95 inclusief verzendkosten op giro 2682510 t.n.v. J. Blankestijn te Rhenen)

20-05-2007

Home