-
Boekbesprekingen
Utrechts aardse paradijstuin
Jarenlang fietste ik in Utrecht door
de Gansstraat langs het toegangshek van begraafplaats Soestbergen op
weg naar de Uithof. En nooit stapte ik af om even rond te kijken. En
nu reis ik al jarenlang met de trein vanuit mijn woonplaats naar
Utrecht en passeer ik de achterzijde van de begraafplaats. In de
winter heb je vrij zicht op de paden en zerken, in de zomer gaan
deze schuil achter het gebladerte. Altijd moet ik even kijken hoe de
begraafplaats er voorstaat, maar nooit nam ik de moeite om naar de
Gansstraat te wandelen en het hek binnen te lopen. Tot deze zomer.
Ik moest voor een reisgids over Utrecht een kort stukje schrijven
over Soestbergen. Eindelijk een reden om de ‘Utrechtse aardse
paradijstuin’ te bezoeken. Met het deeltje Utrecht uit de reeks
Funeraire Cultuur liep ik over het Nederlandse Père Lachaise,
echter, zoals Wim Meulenkamp terecht opmerkt, ‘zonder échte
beroemdheden’. De schrijver Nicolaas Beets en de KNMI-oprichter Buys
Ballot voor het gemak maar vergetende. De prachtig aangelegde
begraafplaats met zijn bomenpracht, de verweerde grafstenen en
zuilen en de unieke rotonde van Zocher maakten diepe indruk tijdens
mijn rondwandeling.
Het recent verschenen boek Soestbergen van Edwin Maes zou mijn
honger naar meer verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden over de
begraafplaats kunnen stillen. Maes beschrijft op een onderhoudende
manier de geschiedenis van begraven in Utrecht tot het definitieve
verbod op begraven in de kerken. Soestbergen werd als eerste
buitenbegraafplaats op 17 mei 1830, anderhalf jaar later dan
gepland, geopend. Jan David Zocher jr. tekende voor het ontwerp van
deze ‘aardse paradijstuin’, zoals hij zelf de begraafplaats
omschreef. Centraal op Soestbergen kwam een cirkelvormige
trapsgewijs oplopende grafheuvel te liggen. De 3,5 meter hoge heuvel
bestaat uit twee ringmuren met 170 diepe, gemetselde grafruimten. De
graven werden door het stadsbestuur ter beschikking gesteld aan de
Utrechtse elite als compensatie voor het verlies van de
familiegraven in de kerken. Voor belangstellenden: een kelder voor
twee personen kost vandaag de dag negen duizend euro. In het boek
staat ook een wandeling langs de bijzondere graven van deze
monumentale begraafplaats met uitleg over de symboliek op het graf
en een korte levensloop van de overledene. De sfeervolle zwart-wit
foto’s geven het boek een extra dimensie.
Na het lezen van het boek is de honger naar informatie over
Soestbergen nog steeds niet gestild. De beschrijving van de `rotonde
van Zocher’, toch de trots van Soestbergen, is wel erg summier. Ook
een beschrijving van de restauratiewerkzaamheden, die in 1998 werden
voltooid, ontbreekt. En dat geldt ook voor het ecologisch beheer van
de begraafplaats dat wel erg gemakkelijk in een alinea wordt
afgedaan. Misschien dat de Terebinthexcursie in april uitkomst
biedt.
Bartho Hendriksen
|
E. Maes,
Soestbergen. Utrechts aardse
paradijstuin. De eerste
algemene begraafplaats te Utrecht (Utrecht: Uitgeverij SPOU,
2006, ISBN 13 978-90-5479-088-4, 207 p., € 15) |
Een dierbaar plekske grond
In deze publicatie wordt de eeuwenlange geschiedenis van het
begraven in Rhenen gecombineerd met die van de 75-jarige
plaatselijke begrafenisonderneming Smit. Verschillende telgen van de
familie Smit waren timmerman en leverden onder meer regelmatig
lijkkisten. Zo ook Bep, die in 1931 echter het roer omgooide en met
een compagnon de Nieuwe Rhenensche Begrafenis Onderneming oprichtte.
Na de Tweede Wereldoorlog zette Bep de onderneming alleen voort.
Momenteel staat de derde generatie aan het roer. De werkzaamheden
van een begrafenisonderneming, van afleggen tot bestellen van de
grafsteen, zijn uitvoerig beschreven en voorzien van veel anekdotes.
Na een hoofdstuk over de Oudheid springen de auteurs over naar het
begraven in en rond de Cunerakerk. Het bestuur van Rhenen stelde in
1603 een stadsordonnantie op, waarin onder meer paapse
bijgelovigheden en overdaad werden verboden. Maar in 1654
constateerde de gemeente van tijd tot tijd ‘grote disordre ende
ongeregeltheden met suijpen ende swelgen’ en verbood het schenken
van wijn en bier zowel voor als na de begrafenis op straffe van een
geldboete.
In 1829 werd een algemene begraafplaats aan de Herenstraat in
gebruik genomen. De burgerlijke gemeente kocht de grond en richtte
de dodenakker in. De kerk zorgde voor de administratie en het
onderhoud, en kreeg de daarbij behorende inkomsten. Maar op last van
de minister van Binnenlandse Zaken nam de gemeente in 1851 het
beheer op zich. De officiële buitengebruikstelling in 1937 had de
nodige voeten in de aarde, want een deel van de gemeenteraad wilde
niet dat de rustplaats verstoord zou worden: ‘Dit voor velen
dierbare plekske grond mag niet voor bouwterrein worden vernietigd’.
In de jaren zestig werd toch een deel van de grond verkocht als
bouwlocatie. Nu zijn er op het resterende deel van de voormalige
begraafplaats, dat als park is ingericht, nog maar tien graven over.
Aan de Achterbergsestraatweg is in 1896 een nieuwe algemene
begraafplaats geopend. Rond 1977 raakte ook deze begraafplaats vol,
wat leidde tot de aanleg van een derde algemene begraafplaats: de
Larikshof, die op 1 mei 1980 in gebruik genomen werd.
Eén van de weinige grafkelders op eigen grond lag op de Plantage
Willem III, sinds 1930 bezit van H.J. Kruidenier Hzn., afkomstig uit
Charlois bij Rotterdam. Kort na de aankoop liet hij op dit terrein
de grafkelder bouwen. Deze is in 1966 afgebroken, nadat de
stoffelijke resten in Leersum waren herbegraven. In de loop der
eeuwen is er veel funeraire cultuur verdwenen: rouwborden en zerken
in de kerk, grafstenen op de begraafplaatsen, een grafkelder op
eigen grond, oude tradities en rituelen.
Dankzij twee jaar onderzoek en gesprekken met talloze Rhenenaren
zijn de auteurs erin geslaagd, heel veel informatie over en rond de
dood in Rhenen, Elst en Achterberg te achterhalen en op schrift te
zetten. De informatie varieert van Oudheid tot heden, van materiële
tot immateriële zaken, van begrafenisondernemers tot beheerders, van
oude tot nieuwe rituelen. Behalve voor de gemeentelijke
begraafplaatsen is er aandacht voor de uit 1891 daterende joodse
begraafplaats in Rhenen, dierenbegraafplaats en -crematorium
Grebbehof en de militaire begraafplaats op de Grebbeberg. De
laatstgenoemde telde aanvankelijk 436 graven, maar door
herbegravingen zijn het er nu 675. Ook ligt er één burger: Willem M.
Kors, burgerchauffeur van een bus met militairen die op een mijn
reed.
Om het boek helemaal compleet te maken passeren enkele recente
ontwikkelingen in de funeraire cultuur de revue en is een register
opgenomen.
Rita Hulsman
|
H. Blankestijn; H. Dekker en B. van
Laar, Begraven in Rhenen. De geschiedenis van de laatste
eer in Rhenen, Elst en Achterberg (Rhenen: Uitgave in eigen
beheer, 2006, 236 blz., € 24,95, te bestellen door overmaking
van € 27,95 inclusief verzendkosten op giro 2682510 t.n.v. J.
Blankestijn te Rhenen) |
20-05-2007
Home
|